De geriatrische patiënt: anaesthesie risico’s kennen, vermijden en beheersen

Uit onderzoek is gebleken dat de peri-operatieve mortaliteit bij hond en kat gelijk is wanneer jonge dieren worden vergeleken met dieren tussen de 8 en 12 jaar oud. Honden vanaf een leeftijd van 12 jaar bleken echter een 7 keer grotere kans te hebben om te overlijden in de peri-operatieve periode dan jonge honden! Bij katten vanaf een leeftijd van 12 jaar bleek, mogelijk vanwege kortere operatietijden, een 2 keer grotere kans op sterfte te gelden.1

De opmerking dat een kat of hond te oud is om nog onder narcose te gaan, wordt vaak gemaakt door zowel dierenartsen als eigenaren. Toch blijkt deze uitspraak in veel gevallen onterecht! Mits ze gezond en fit zijn, is het anaesthesie risico voor jonge en voor oude dieren gelijk. De leeftijd in het algemeen doet slechts in geringe mate ter zake. Het is voornamelijk belangrijk hoe goed organen om kunnen gaan met de toegediende anaesthetica en of er sprake is van onderliggende pathologie, die al dan niet is opgemerkt in het pre-anaesthetisch onderzoek.

Tijdens de London Vet Show eind 2014 sprak Elizabeth Leece, BVSc CVA DipECVAA MRCVS consultant anaesthetist at Dick White Referrals, op boeiende wijze over de anaesthesie risico’s bij geriatrische patiënten. Haar verhaal was de inspiratiebron voor dit artikel, dat u praktische tips biedt over het vermijden en beheersen van deze risico’s.

Een goed resultaat met deze quiz en het lezen van het artikel De geriatrische patiënt: anaesthesie risico’s kennen, vermijden en beheersen levert u een nascholingsbadge met 1 CPD-punt op!

Do’s en don’ts bij anesthesie voor keizersnede hond en kat

Een keizersnede bij de hond of kat is meestal ongepland en kan spannend zijn. Het beheersen van de chirurgische techniek van een keizersnede is uiteraard belangrijk, maar als de anesthesie niet op een juiste wijze wordt uitgevoerd, dan zal dat gevaarlijk zijn voor zowel moeder als neonaten. Komt u in de praktijk weleens verminderde vitaliteit of sterfte van neonaten aansluitend aan een keizersnede tegen, of bent u om andere redenen van mening dat er wat verbeterd kan worden aan uw anesthesieprotocol? Gebruik dan dit artikel, inclusief nascholingsquiz, als bron van praktische, evidence based informatie voor uw eigen protocol.

  • Een goede voorbereiding is het halve werk, maar wat kunt u allemaal voorbereiden?
  • Veelgebruikte ‘gewone’ ASA-1 anesthesieprotocollen zijn absoluut onverstandig bij een keizersnede. Welke middelen kunt u wel en welke beter niet gebruiken?
  • Welke gevolgen heeft dracht voor wat betreft zuurstofbehoefte, cardiac output, werking van het maagdarmkanaal en anesthesie behoefte, en hoe moet de anesthesie daarop worden aangepast?
  • Hoe kan de postoperatieve zorg voor de moeder en voor de neonaten worden geoptimaliseerd?

Monitoringskaarten anesthesie hond en kat

Monitoren van anesthesie patiënten en het opschrijven van je bevindingen op een monitoringskaart helpt om complicaties en overlijden van patiënten te voorkomen.

Fotoplethysmografie en de pulsoxymeter

Patiënten die in de praktijk chirurgische procedures ondergaan en daarvoor onder anesthesie worden gebracht, worden met verscheidene apparaten gemonitord. Zo kennen we natuurlijk de capnograaf, het elektrocardiogram (ECG) en de pulsoxymeter. Deze laatste wordt voornamelijk gebruikt om de zuurstofsaturatie van bloed in de periferie te meten (bijvoorbeeld de tong). Hiernaast wordt er ook een hartslagfrequentie gegeven samen met een grafische weergave van de ‘polsgolf’. Deze weergave wordt een fotoplethysmogram genoemd. Waarvoor kunnen we de informatie van de pulsoxymeter nog meer gebruiken? Hoe werkt het apparaat eigenlijk? Dit komt in dit artikel aan bod. Gebruik uw monitoringsapparatuur ten volle!

Anesthesie van het jonge dier

Dierenarts Ies Akkerdaas gaf in 2009 een lezing over anesthesie en analgesie bij het (zeer) jonge dier. De verschillen tussen de pediatrische en volwassen patiënt vragen om een aangepast anesthesieprotocol.

De eerste twaalf levensweken van de pup en het kitten worden beschouwd als de pediatrische periode. Deze periode kan verder worden onverdeeld in de neonatale fase (0-2 weken), de infantiele fase (2-6 weken) en de juveniele fase (6-12 weken). Pediatrische dieren verschillen op een aantal belangrijke punten van volwassen soortgenoten en hiermee moet rekening gehouden worden bij de anesthesie.

Studie naar peri-operatieve sterfte bij de kat

Tijdens het ESFM Feline Symposium 2009, dat gehouden werd op de precongres dag voorafgaand aan het BSAVA congres in Birmingham, sprak dierenarts-anesthesioloog Elizabeth A. Leece over problemen en sterfte rondom anesthesie bij de kat. Leece besprak in haar voordracht de resultaten van een grootschalig vertrouwelijk onderzoek, dat tussen juni 2002 en juni 2004 in de UK werd uitgevoerd.

 

 

Video's anesthesie

Video: Managing anaesthetic complications

Learning outcomes:

  1. Understand the consequences of hypoxaemia and the value of pulse oximetry monitoring as a guide to oxygenation of the patient
  2. Understand the principles of management of ventricular (extra systoles and tachycardia) and supraventricular (bradycardia) arrythmias during anaesthesia
  3. Develop knowledge in how to manage patients with a difficult airway
  4. Understand how to manage hypotension during anaesthesia

Video: Anaesthetic management of geriatric patients

Learning outcomes:

  1. Understand the physiological changes that occur in patients as they age
  2. Understand how these physiological changes affect anaesthesia of geriatric patients
  3. Develop sufficient knowledge to allow you to optimise anaesthetic management of geriatric animals


Video: Post-anaesthetic care

Learning outcomes:

  1. Understand why the recovery period from anaesthesia is high risk in small animals
  2. Understand the key components of peri-anaesthetic care during the transition from anaesthesia to full recovery from anaesthesia in small animals
  3. Decision making about whether oxygen support will be required in the post-operative period
  4. Understand the rationale for fluid therapy in the immediate post-operative period and how this can be optimised
  5. Develop skills in post-operative pain assessment